Verslag conferentie 17 mei

Verslag conferentie Een gezamenlijk perspectief voor de provincie Groningen
 
Gehouden 17 mei in het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen

Georganiseerd door de alumni Jos Posthuma en Roelof Wittink, in de 70’er jaren studenten in de Temagroep Noord Nederland aan het instituut voor Sociale en Bedrijfspsychologie


Inleidingen

De conferentie werd geopend door de voorzitter van het College van Bestuur van de RUG, prof. Sybrand Poppema. Poppema stelde dat de universiteit mensen opleidt voor een leidende rol in de maatschappij en in Groningen inzet op een aantal belangrijke maatschappelijke thema’s zoals Healthy ageing en energietransitie. Daarin werkt zij met andere kennisinstellingen samen met bedrijfsleven, overheden en burgers, in het geval de energietransitie met 10.000 huishoudens.

Vervolgens gaf prof. Wout Buitelaar, oud staflid van het instituut voor Sociale en Bedrijfspsychologie en van de Temagroep Noord Nederland een uiteenzetting over de maatschappelijke betrokkenheid van de universiteit met een aanbeveling over het met burgers opzetten van onderzoek. Hier vatten we zijn belangrijkste conclusies samen. Buitelaar deed een oproep voor een regio gestimuleerde vraagarticulatie van belanghebbenden.  Onderzoek laat wantrouwen in de regio zien naar het Rijk en de NAM, wat reden is om samenwerking met burgemeesters en bewoners voor projecten op te zetten, dus met gebruik van hun ervaringskennis. In dit onderzoek zouden techniek, energie, materiaaltechnologie, geologie en archeologie met elkaar moeten interacteren. Zo ontstaan kenniscoalities tussen diverse belanghebbenden en nieuwe combinaties van ervarings- en specialistische kennis. Bij een thema als slimmer en duurzaam produceren zijn weer andere combinaties en coalities mogelijk, met werkgevers- en werknemersorganisaties. Hij voegde daar aan toe dat het  in het algemeen van belang is dat er aldus co-creatie  ontstaat bij de kenniscyclus van probleemformulering en terugkoppeling van onderzoek en data-verzameling. Dan wordt dialoog tussen RUG en regio, dynamiek. De gehele lezing van Buitelaar is te vinden bij Documentatie.

Het drieluik van de opening van de conferentie werd afgesloten door dr. Bea Blokhuis die haar kennis van de klassieken verweefde met haar ervaringen als bewoonster van het gebied dat het sterkst te lijden heeft van de aardbevingen. Zij verhaalde over haar ervaringen met de NAM, Jacobse en Van Es types die langs kwamen om de schade op te meten, de zeer lange periode waarin er nauwelijks iets aan herstel gebeurde en de risico’s in de toekomst, bijv op een dijkdoorbaak. Haar conclusie was dat er veel frustratie is opgekropt die op een bepaalde moment tot een explosie kan leiden.  

Vervolgens waren er vier panels. 

Energietransitie

Het eerste paneldebat ging over energietransitie en werd voorgezeten door dr. Ruud Vreeman, burgemeester van de stad Groningen en voormalig student psychologie aan de RUG in de Temagroep Noord Nederland. In de stad waren er op het moment van de conferentie nog relatief weinig schademeldingen (1200) en de vraag voor hem was, wat voor perspectief is er, welke positieve krachten staan er tegenover de aardbevingenproblematiek.

Prof. Henk Moll mocht starten en stelde dat minister Kamp niet het voorzorgsbeginsel hanteert om op veiligheid in te zetten zolang je de risico’s van wat je doet niet goed kent. Minder productie is nodig en we moeten sowieso minder afhankelijk worden van aardgas.  

Cor Zijderveld, voorzitter van het samenwerkingsverband van bedrijven in de Eemsdelta, vond dat de provincie Groningen heel goed gekwalificeerd is voor een energietransitie, zowel inzake gas als energiebron en als grondstof. Het agrarische achterland, de havens voor invoer van biomassa, de kennisinstellingen geven Groningen een prima positie om het voortouw te nemen. Zijderveld benadrukte het belang van electrolyse van water tot waterstof met overtollige stroom uit windmolens en riep de universiteit kennis op te doen om dit proces efficiënter te maken

Siegbert van der Velde, van de Natuur en Milieu Federatie, zag de energievraagstuk vooral als een organisatievraagstuk. Op de puinhopen van de gaswinning is een nieuwe economische pijler te bouwen. Hier is tot nu toe te weinig geld voor uitgetrokken. Gerichte impulsen zijn nodig, bijv doordat burgers en bedrijven zelf energie opwekken en zich hiervoor organiseren in coöperaties. Gebruik van duurzame biomassa is naar zijn mening beperkt mogelijk. Van der Velde onderstreepte het belang van meer samenwerking tussen universiteit en samenleving om goede keuzes te maken voor de energietransitie.

Annette van der Velde van LTO roemde het goede klimaat en de goede grond in Groningen voor natuurlijke hulpbronnen en schetste het perspectief op een optimaler gebruik van mineralen. Als we mineralen terugwinnen uit mest, hebben we minder kunstmest nodig, sparen we energie en krijgen we groen gas als bijproduct. De agrarische sector is energieneutraal te maken en wij leren hoe we dat moeten realiseren. Wanneer we een kwart van mest gebruiken voor biomassa dan is de hele agrarische sector al energiecentraal en met nog een kwart voorzien we de gehele energiebehoefte van 6500 huishoudens er bij.

Prof. Gert Jan Euverink van de RUG en het instituut BioBrug, zette uiteen hoe hij met BioBrug een aanspreekpunt heeft bij de universiteit voor het bedrijfsleven. Men helpt ondernemers om vragen te vertalen naar een studieopdracht die door studenten in een tijdsbestek van 4 tot 6 maanden kan worden uitgevoerd. Als voorbeeld gaf hij dat een boer met 10% verbouw van koolzaad op het land alle voertuigen van biodiesel kunnen worden voorzien.

Dr. Chris Zuidema van de RUG gaf te kennen dat er nog veel meer uit technische ontwikkelingen en economische investeringen is te halen wanneer zij in een sociale en planologische context worden geplaatst. Alternatieve energie vraagt om ruimte dat schaars is. Hoe maak het voor de burger interessant om niet de last van windmolens de boventoon te laten voelen maar juist een eigen opbrengst te hebben. Dat is vooral in krimpgebieden van grote betekenis.

Vanuit de zaal riep natuurkundige Fred Luider de universiteit op om een allesomvattende studie te doen naar de geologie van de Groninger bodem en hij riep op netwerken te vormen voor transitie van kennis om de burg te slaan tussen universitaire kennis en maatschappelijke implementatie.

Vreeman sloot dit debat af met een rondje slagzinnen door de panelleden:

Zuidema: “Energietransitie is niet alleen een technisch en economisch vraagstuk en moet in de context van maatschappelijke belangen worden geplaatst”

Euverink: “De NAM moet een transitie doormaken tot gas bovengronds produceren in plaats ondergronds te winnen, vgl de transitie in Limburg van mijnen naar DSM”

Van der Velde: “Investeer in lokale gemeenschappen en energiecoöperaties, m.a.w. in processturing

Zijderveld: “Ondanks de ellende van de aardbevingen kunnen we er beter uitkomen en de meest duurzame provincie van Nederland worden”

Van der Velde: “Versterk samenwerking kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheden”

Moll: “Repareer schade van aardbevingen volmondig ipv dat je je er goedkoop van afmaakt en anticipeer op afloop van gaswinning”

Desgevraagd gaf Poppema als slotconclusie dat energietransitie een multidisciplinair vraagstuk is.

 

Tweede column

De hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden, Pieter Sijpersma, sprak de eerste column uit waarin hij de universiteit een bruine beer noemde die telkens vijf jaar lang in winterslaap gaat. Die uitspraak riep nogal wat reacties op, maar de kern van het betoog van Sijpersma was aldus:

Ø  De universiteit brengt werk, leven in de brouwerij, aanzien en extra hersens. Wat zou Groningen zijn zonder de universiteit

Ø  De universiteit zegt, we zijn er, wees blij met ons, we dienen een algemeen belang voor kennis vergaren en verspreiden

Ø  Groningen kan groot geld verdienen met vraagstukken waar de universiteit zich mee bezig houdt

Ø  De universiteit is echter niet plaatsgebonden. Er echt bijhoren in de regio is niet universitairs. De universiteit doet wat zij wil, is een archipel van belangen en culturen die moeilijk op één lijn zijn te brengen

Ø  De universiteit kan nog veel meer betekenen voor de regio dan zij doet.

 

Duurzame Economische Ontwikkeling

Het tweede panel had als onderwerp Duurzame Economische Ontwikkeling en stond onder leiding van hoogleraar Arbeidsmarkt en Ongelijkheid, Wiemer Salverda van de Universiteit van Amsterdam.

Het panel begon met een succesvolle case als een voorbeeld uit de praktijk. Marc van Rijsselberghe van Zilt Proefbedrijf Texel zette uiteen dat de Waddendelta een fantastisch deltagebied is om aardappelrassen te verbouwen. Hij riep op om creatief anders te gaan denken over de kansen in de regio.

Sander Wubbolts van Bouwend Nederland Noord benadrukte de noodzaak van onderwijs en onderzoek om duurzaamheid als leidend principe in te voeren bij schadeherstel en bouwkundige versterking vanwege de aardbevingen. In de bouw is hiertoe een platform opgericht van ondernemers dat doelen stelt voor het vermarkten van innovatie en voor versterking van opleidingen, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het EPI centrum (zie verder bij Pama).

Ad de Vos van FNV Noord bepleitte vervroegde pensionering om jonge mensen in Groningen meer kans te geven op de arbeidsmarkt onder het motto “Jong voor Oud”,  vanwege de extra grote werkloosheid in de regio. Hij had geen hoge verwachtingen van werkgelegenheidsimpulsen en pleitte er verder voor dat werk in de regio niet grotendeels wordt uitgevoerd door personeel van buitenaf dat concurreert op arbeidsvoorwaarden. Wubbolts haakte hier op in en zei dat de leeftijd in de bouw relatief hoog is. Hij pleitte er voor dat 50+’ers een belangrijke rol spelen in de uitvoeringsorganisatie voor schadeherstel en preventie. 

Jelle Pama, docent bij de Hanzehogeschool, gaf informatie over het Educatie Platform Innovatie EPI dat met de RUG en het Alpha College is opgezet en waar opleidingen over aardbevingen van start gaan. Techniek en duurzaamheid worden gedoceerd in een sociaal maatschappelijke context, voor studenten, werklozen en werkenden. Aardbevingen zijn een complexe materie en de situatie in Groningen is uniek vanwege de diepte waar de bevingen ontstaan, de grondsoorten en de type bebouwing met bakstenen. Het vraagt veel onderzoek om vast te stellen hoe aardbevingen in deze context verlopen en wat zij kunnen aanrichten.

Jako Jellema van de RUG, verbonden aan de Energy Academy Europe en de beta wetenschapswinkel, refereerde aan het begrip co creatie dat Wout Buitelaar in zijn inleiding had aanbevolen. Hij gaf uitleg hoe dit vanuit de Energy Academy wordt toegepast met het bedrijfsleven en in een studie waarin 10.000 huishoudens worden betrokken. De RUG is een heel brede universiteit die samen met partijen buiten vorm wil geven aan energietransitie. De dienstverlening die wetenschapswinkels verrichten staat volgens Jellema model in het buitenland; Nederland is hiermee een voorloper.

Hoogleraar Regionale Arbeidsmarktanalyse Jouke van Dijk zei dat de werkloosheid in de regio maar een klein beetje groter is dan elders en dat de ontwikkeling van werkgelegenheid best goed gaat. Er is sprake van veel innovatie. Dat er ook veel intellect uit Groningen wegtrekt ziet hij niet als een probleem omdat de universiteit te groot is voor de regio om iedereen vast te houden. Maar op het scholingsniveau van MBO 2 en 3 heeft de regio wel een probleem met beschikbaarheid van banen. Bij verdere impulsen in bijv de bio based economy en aardbeving bestendig bouwen, moeten we ons daar bewust van zijn.

Derde column

Burgemeester Marijke van Beek van de gemeente Eemsmond sprak tussen panel 2 en 3 haar column uit waarin zij vooral pleitte voor meer samenwerking tussen kennisinstellingen en overheden, bedrijfsleven én burgers. De universiteit is een onmisbare kracht om initiatieven van al die partijen te ondersteunen. De transitie van oude naar nieuwe energie vraagt hier in het bijzonder om. Zoals de commissie Meijer ingesteld n.a.v. de aardbevingen ook bepleitte, zullen individuele burgers een positief effect van herstel- en compensatiemaatregelen op hun persoonlijke levenssfeer moeten ervaren. Kennis kan goede bedoelingen concreet maken, kan een netwerkfunctie hebben en vertrouwen versterken. Ze pleitte voor meer toepassingsgericht multidisciplinair onderzoek.

 Groningse vitaliteit

Panel 3 handelde over de Groningse Vitaliteit en stond onder leiding van Wout Buitelaar. Hij gaf de aftrap aan hoogleraar Sociale Psychologie Tom Postmes, die zeer recente resultaten gaf van onderzoek naar actiebereidheid in de regio vanwege de aardbevingen. Zijn conclusie is dat de emoties wel hoog zitten maar dat er (nog) weinig acties van de grond komen. De toezegging van ruim 1 miljard euro voor schadeherstel en economische impulsen doen de emoties niet minder hoog oplopen. Integendeel, onrust, stress, angst en boosheid nemen toe.  Postmes plaatst mensen in drie categorieën, de dragers die vooral verder willen werken aan de toekomst, de klagers die het meest protesteren en de schragers die technische oplossingen voor de problemen willen. Maar de verschillen zijn niet heel groot; algemeen is de zorg voor de regio. Er bestaat een groot wantrouwen jegens de NAM en het Rijk bijv. inzake schadeherstel. Er is nog wel vertrouwen om op lokaal niveau samen aan de slag te gaan.

Predikant Jan Hommes herkent zich in bovengenoemde resultaten maar voegde er aan toe  dat burgers aandacht en erkenning node missen. De aardbevingen stapelen zich op andere problemen zoals werkloosheid. De spanningen kunnen oplopen tot wellicht “vulkanische krachten” die op een bepaald moment tot uitbarsting komen.

Bouwkundige Jur Bekooij van de stichting Oude Groningen Kerken verhaalde over het onbegrip waar hij bij de ‘technocratische’ NAM tegenaan loopt. De NAM durft “Total loss” te hanteren bij monumenten: “Als het meer kost om te restaureren dan wat het waard is…” Bekooij weer er op dat Gasthuizen een langere geschiedenis aan Romaanse kunst heeft dan Italië, waar ze dus kennelijk beschaafder omgaan met hun cultureel erfgoed. Bekooij zei dat de Franse samenstellers van een boek over Romaans Europa aanvankelijk een deeltje wilden besteden aan NW Europa, waarna men er achter kwam dat Nederland alleen al een deel waard is om vervolgens te beseffen dat Groningen alleen al voldoende was om dit deel te vullen. Hij vroeg om een actieve rol van de rijksuniversiteit, die immers roots heeft in de archeologie, bij de bescherming van de oude monumenten. Hij wees verder op het belang van een goed gebruik van de kerken. Bekooij had zich hiervoor gewend tot universiteiten voor kennis over leefbaarheid en plattelandsvernieuwing en kwam bij de TU Twente uit, niet bij de RUG.

Johan van Omme, secretaris van de Vereniging Groninger Dorpen, bepleitte een fundamenteel andere houding tegenover de bevolking. “Je moet de mensen mee hebben, je moet hun vertrouwen verdienen” en niet plotseling zaken ontdekken die al jarenlang spelen. Volgens hem leidt gearrangeerde inspraak met een leidende rol voor NAM en het ministerie van Economische Zaken, tot niets. Groningers zijn geen eendagsvliegen; ondanks het hoge aandeel van hoog opgeleiden in de provincie zijn we volgens hem nog steeds niet in staat de problemen goed aan te gaan. ‘

Ivo Lochtenberg van de stichting Groningen Noord zette uiteen hoe zijn stichting met burgers en andere betrokkenen gesprekken wil organiseren over de toekomst. Hiervoor zet men in op dorpspleinontmoetingen, schetsateliers en gebiedsvisies.

Lambert de Bont, emeritus hoogleraar maar sprekend namens de Groninger Bodem Beweging vroeg zich hardop luid en duidelijk af “hoe beschadigingen aan cultureel erfgoed in het algemeen als barbaars worden bestempeld tenzij het een gevolg is van aardgaswinning waar de Nederlandse overheid uit financieel belang besluit deze regel niet te handhaven”. De risico’s van gaswinning worden willens en wetens gebagatelliseerd. Uit de risico analyses van de NAM spreekt een minachting die men kennelijk alleen in Groningen aandurft. De NAM speelt met cijfers omdat de risico’s een dunbevolkt gebied treffen. Minachting moet verdwijnen, veiligheid moet voorop komen te staan en de oorzaak van risico’s moet worden weggenomen.

 Vierde column

Aard Groen, hoogleraar Ondernemerschap en Valorisatie aan de RUG, hield een pleidooi voor meer ondernemerschap en gaf tal van voorbeelden o.a. uit zijn eigen praktijk in Twente, waarin dit succesvol is. Als mensen willen ondernemen dan moeten ze ondersteund worden in wat ze willen. De kern voor succes is gelegen in het bij elkaar brengen van kennis en kennissen, met waardecreatie als doel. De universiteit van Twente riep zich uit tot ondernemende universiteit en dat is ze gaan waarmaken. De universiteit van Groningen wil nu ook de meest ondernemende universiteit van Nederland worden. Groen ziet in de aardbevingen kansen voor structurele verbeteringen in de regio, een ‘blessing in disguise’. Groningen is nu nog de vierde regio op het gebied van de maakindustrie, na Eindhoven, Twente en het westen, maar dat kan volgens hem beter. Breng mensen bij elkaar en help ze mee op gang. Ook in bestaande bedrijvigheid, zoals de scheepsbouw, is innovatie dan des te meer kansrijk.

 Samen aan de slag

Het vierde, afsluitende, panel had als motto: “Samen aan de slag”.

Frans Jaspers, voorzitter SER Noord Nederland sprak in het licht van de lange termijn perspectieven over meerdere veelbelovende transities. Naast de energietransitie heeft Groningen ook veel in huis om richting te geven aan de transitie in de zorg met nieuwe vormen van samenwerking. Mbt de energie streeft SER Noord Nederland naar een visie en beleid op herstructurering van de ondergrond. Om dit perspectief te geven vanuit de bewoners is een kleine commissie ingesteld met mensen uit de regio, met daar een groep deskundigen om heen. Voor de sociaal economische agenda op de lange termijn pleitte hij om de MKB, via de maakindustrie, met nadruk mee te nemen.

Corine Jansen, voorzitter van de Groningen Bodem Beweging, vroeg zich af hoe het heeft kunnen gebeuren dat er vanaf 1960 alleen maar gas is gewonnen en dat niet is onderzocht welke schadelijke gevolgen op termijn zouden kunnen ontstaan. Ze pleitte niet alleen ervoor om een inhaalslag te maken maar ook dat mensen nadrukkelijk bij onderzoek worden betrokken, vanaf de vraagstelling. En zij hekelde beleid over de mensen heen met als gevolg dat er te weinig voor de mensen zelf inzit.

Frans Stockman, oud hoogleraar, sprak met name vanuit de energiecoöperatie “Grunneger Power” en ging door op het thema dat voor ontwikkeling de mensen zelf aan de lat moeten staan in plaats van een afgeleide zijn van politiek. In de energievoorziening en de economie is sprake van een deglobalisering. Lokaal energie produceren door gewone mensen, niet individueel maar samen, daar ligt de toekomst. Mensen worden van consumenten, producenten. Volgens hem zijn er ongekende mogelijkheden als dorpen en buurten worden geholpen om zelf energieneutraal te worden en dat kan in 10 jaar als het gebaseerd is op actie van de mensen zelf in plaats van opgelegd van boven. Stockman riep op tot actie ook als minister Kamp het er niet mee eens is.

Hans Broekhuis, ondernemer, begon met te zeggen dat productontwikkeling en vernieuwing niet primair om research en fundamenteel onderzoek vraagt maar ontwikkeling is en universiteiten zijn daar niet zoveel mee bezig. Het kan heel goed, bijv met studenten zoals Euverink aangaf met de BioBrug. Hij wees er op dat twee strategische thema’s van de RUG, energietransitie en healthy ageing, gedragen worden door grote partijen: GasTerra en het UMCG. Referend aan de Eindhoven waar door Philips voor 1 miljard aan ontwikkeling is gestimuleerd en in Twente voor 300 miljoen, pleitte Broekhuis voor een fonds van om te beginnen 100 miljoen om jonge onderzoekers te faciliteren in ondernemerschap om dan met mensen uit het bevingsgebied maatschappelijk kapitaal in te zetten voor wat mensen willen.

 Afsluiting

Jacques Wallage, co-voorzitter van de Dialoogtafel en bijzonder hoogleraar aan de RUG, was bereid de conferentie af te sluiten. Onder dankzegging aan de organisatoren zei hij dat de conferentie veel denkkracht en veel engagement heeft laten zien. Naast boosheid is er in de regio veel energie. Wallage vertelde openlijk over het moeizame proces aan de Dialoogtafel en gaf daar een aantal verklaringen voor. Ten eerste is er sprake van 30-40 jaar verwaarlozing van het vraagstuk, met angst en boosheid tot gevolg. Nu moeten slachtoffers en veroorzakers het met elkaar aan tafel eens worden. Dat is een buitengewoon complex experiment dat moet landen in herstel van vertrouwen. Maar dat vertrouwen moet stap voor stap verdiend worden.

Wallage wees er op dat de Raad voor de Veiligheid nu op verzoek van de regering alsnog onderzoekt op welke wijze in de afgelopen jaren aandacht is besteed aan de veiligheid terwijl de gaswinning door ging. Dat moet uitgezocht worden en teruggekoppeld naar de bevolking om gebrek aan erkenning een beetje in te lopen. Wallage benadrukte dat het bovendien niet alleen gaat om herstel van schade en preventie maar daarmee verweven een toekomstperspectief op kwaliteit van leven. Hij wees er verder op dat het overleg met de NAM niet eenvoudig is en dat de NAM ook niet heel goed is in wat er nu moet gebeuren. Hij sprak daarbij over een fundamenteel meningsverschil in de zin dat de werkmaatschappij die het proces van herstel moet uitvoeren een maatschappij van de mensen zou moeten worden terwijl de NAM de maatschappij zelf wil aansturen. Dat debat woedt en gaat er onder andere over dat de hersteloperatie niet in de techniek moet weglopen maar humane betekenis heeft. Wallage toonde zich niet op voorhand optimistisch. Het experiment slaagt alleen als alle betrokkenen investeren dat het proces een proces van de mensen zelf wordt. 

Conclusies van de organisatoren

Op de conferentie heeft een boeiende uitwisseling plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van maatschappelijke, bestuurlijke en bedrijfsorganisaties met een brede groep wetenschappers, die bij velen het verzoek opriep om meer. Er vond ook een stevig debat plaats over de vraag of de Rijksuniversiteit zich meer op de regio moet richten of haar maatschappelijke taken al voldoende  vervult. Ook dat debat vraagt om meer. Ter inleiding sprak Wout Buitelaar van “co- creatie” bij het opzetten van onderzoek tussen belanghebbenden en onderzoekers, vanuit de “regio gestimuleerd”. Dat was voor ons als organisatoren het referentiekader voor het bijeen brengen van de partijen. Bij belanghebbenden kan men denken aan  bewoners, bestuurders, maatschappelijke geledingen, belangenorganisaties, bedrijven en bedrijfsleven, overheidsorganisaties etc. Vindt er wel voldoende  co creatie plaats, is er behoefte aan meer?

Verschillende sprekers gaven voorbeelden die praktische samenwerking tussen universiteit en samenleving illustreren waarbij de ene keer meer sprake is van co creatie dan de andere keer. Voor alle ingrediënten van een hechte samenwerking tussen universiteit en samenleving lijken voorbeelden voorhanden te zijn. En er gebeurt veel kennisontwikkeling in en met de regio, die geweldige betekenis heeft voor de transities die Groningen in economisch en sociaal opzicht voort kan stuwen op een wijze die bijdraagt aan een duurzame en bestendige toekomst. Ook de nieuwe sociaal economische  ordening in  de stad en regio kwam hierbij naar voren. Is Oost Groningen gedoemd een altijd moeizaam en achtergesteld gebied te blijven en zit de enige groeipotentie in de stad en haar nabije omgeving? Een positief perspectief lijkt absoluut mogelijk. 

Maar,  de cases van onderzoek en onderzoekbenaderingen die naar voren werden gebracht, lijken behoorlijk onafhankelijk van elkaar te bestaan en de interactie tussen onderzoekers en betrokkenen in  de regio kan verder en dieper gaan. Het betrekken van burgers in een onderzoek betekent nog niet co creatie met hen van de onderzoeksvraagstelling en onderzoeksopzet. Maatschappelijk relevant onderzoek doen, wil nog niet zeggen dat de universiteit zich principieel en in volle breedte ten doel stelt om in haar directe omgeving kennisvragen naar toekomstperspectieven op te halen.  Afgezien van de wetenschapswinkels die er gelukkig nog zijn en een onderzoek en adviespraktijk hebben ontwikkeld die aansluit bij vragen vanuit de samenleving , is de universiteit vooral vraaggericht wanneer het bedrijfsleven er voor betaalt.  Een loket instellen voor vragen van ondernemers en korte termijn onderzoek organiseren om hen kennis aan te reiken,  betekent nog niet een regionaal gedreven onderzoeksprogramma waarbij het ene na het andere onderzoek ook relevant is voor andere partijen dan de vraagstellende en kennis samengevoegd wordt om de gehele regio te verheffen. Terecht werd opgeroepen om in een vierhoek met burgers, overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen, de handen ineen te slaan.

De regio Groningen kan nogal wat onderzoek gebruiken om het hoofd te bieden aan de aardbevingen en tegenwicht te bieden tegen het capaciteitsgebrek bij de NAM en de rijksoverheid om de veiligheid echt voorop te stellen en alle schade in welke vorm dan ook geheel te vergoeden. De regio Groningen kan ook nog veel meer onderzoek gebruiken dan nu al plaatsvindt om haar enorme potentie te benutten, als een internationaal vooraanstaande “energy-port” en als eerste energieneutrale provincie van Nederland.