NAM bij jubileum 50 jaar gaswinning Groningen

De NAM: Bodemdaling is geen aanleiding tot verontrusting, althans nog niet in 2009

Er is nog steeds onderzoek gaande naar aardbevingen in Groningen, om beter te begrijpen wat de relatie is tussen de gaswinning en de kans op aardbevingen. In de laatste jaren is de ernst van de aardbevingen toegenomen en een moeizaam proces op gang gekomen van schademeldingen en herstel, voorspellingen van zwaardere bevingen, de noodzaak van preventieve maatregelen en compensatiemaatregelen. Bij velen heeft dit vragen opgeroepen hoe het zo ver kon komen.

Vijf jaar geleden hield de NAM het niet voor mogelijk dat de gaswinning in Groningen problemen zouden geven. De zienswijze van de NAM tot 2009 komt naar voren in het jubileumboek “Groningen-Gasveld Vijfig Jaar”, geschreven door Joep Schenk in opdracht van de NAM. Er zijn vier bladzijden in het boek gewijd aan ‘aardschokken en bodemdaling’, in het hoofdstuk Milieu als ‘issue’. Een terugblik door ons samengevat volgt hierbij. 

Het stuk begint met: “Bodemdaling is een algemeen verschijnsel in Nederland”. Bodemdaling  kan ook worden veroorzaakt door menselijk handelen. Door drukvermindering als gevolg van olie- of gaswinning treedt compactie op; deze bodemdaling zal de vorm hebben van een ondiepe schotel. "De NAM heeft zich dit vanaf het begin van de gaswinning gerealiseerd". Over effecten van bodemdaling in Groningen door andere factoren zoals inklinking van veengronden en verlagen grondwaterstand was al kennis, maar niet over de effecten van ingrepen op 3 km diepte. In 1971 werden de eerste resultaten gepresenteerd van een studie in opdracht van NAM en het Staatstoezicht op de Mijnen. De prognose was een maximale daling van een meter op het diepste punt. De bedoeling was dit rapport niet openbaar te maken maar D’66 Kamerlid Terlouw kwam het op het spoor en stelde Kamervragen. Den Haag kreeg van het Nieuwsblad van het Noorden de schuld dat ze de bodemdaling geheim had willen houden. In het dagblad werd ook gezegd dat het vertrouwen in NAM zwaar geschokt was. De reactie van de NAM was, dat een meter bodemdaling op een gebied van 1600 vierkante kilometer neerkomt op een helling van 0.05 mm per meter gemeten vanaf de rand van de schotel tot het diepste punt. “Daar gaan geen huizen van verzakken of muren van scheuren”.

De bodemdaling zou op den duur wel consequenties hebben voor de waterhuishouding in de provincie. Ruim 10 jaar later, in 1983, sloot de NAM een overeenkomst met de provincie, waterschappen en het Havenschap Delfzijl om metingen te doen in verband met de risico’s in de waterhuishouding. Er kwam een bodemdalingsovereenkomst met de Staat voor schadevergoeding door de NAM. De overeenkomst voorzag niet in een eventuele schadevergoeding als gevolg van aardschokken.

“Ook aardschokken zijn een algemeen verschijnsel in Nederland”, vervolgt de beschouwing. Maar ze zijn relatief licht en dikwijls niet voor de mens waarneembaar. Tussen 1986 en 1993 werden 24 aardbevingen in Noord Nederland geregistreerd, van 1.4 tot 2.8 op de schaal van Richter. Kamervragen leidden tot onderzoek. In 1993 verscheen een rapport Relatie gaswinning en aardbevingen in Noord-Nederland. Volgens de NAM was er geen aanleiding tot verontrusting. “De relatie met gaswinning is er in bepaalde gevallen wel,  maar de effecten zijn gering, was de geruststellende conclusie.”

Maar niet iedereen laat zich daarvan overtuigen, aldus de publicatie. Om misverstanden uit de weg te ruimen stelde minister Jorritsma (EZ) in 2000 de Technische Commissie Bodembeweging in. Die kreeg onder meer tot taak om particuliere schadeclaims te beoordelen en een eventuele schikking voor te stellen. De PvdA bepleitte in 2001 een omkering van de bewijslast. Niet de burger zou moeten aantonen dat zijn schade veroorzaakt was door zout- of gaswinning maar de mijnbouwmaatschappij moest het tegendeel bewijzen.  Uiteindelijk kreeg Annemarie Jorritsma haar zin. De omkering van de bewijslast werd niet doorgevoerd.

Tot slot geeft de publicatie nog het verloop van bodemdalingsprognoses.

Dacht men omstreeks 1971 dat de daling van de bodem op het diepste punt in 2025 één meter zou bedragen, in 1974 was de NAM door nieuwe meetmethodes tot een andere conclusie gekomen. Men schatte de bodemdaling op 25 tot 30 cm. In 1984 was de prognose echter opgelopen tot 60 à 70 cm; in 1990 was die weer bijgesteld tot 36 cm. De meest recente verwachting is 42 cm.

 

 

Bron: Joep Schenk met intermezzi van Petra Timmer (2009); GRONINGEN-GASVELD VIJFTIG JAAR. Kloppend hart van de Nederlandse gasvoorziening. Uitg. Boom. ISBN 978 90 8506 763 4